Diagnostiek


Het stellen van de diagnose etalagebenen bestaat uit een aantal (kleine) onderzoeken. De arts zal beginnen met een lichamelijk onderzoek, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen het aangedane en niet-aangedane been. Hierbij wordt onder meer gekeken naar kleurverandering en -verschil, temperatuurverschil, beharing en nagels. Daarnaast zal de arts controleren of de slagaders voelbaar kloppen (pulsaties).

Wanneer de arts, aan de hand van het lichamelijk onderzoek, etalagebenen vermoedt, zal vervolgens een eenvoudig onderzoek worden uitgevoerd: het meten van de enkel-arm index. Dit onderzoek kan ofwel door de huisarts zelf worden uitgevoerd, als ook door een vaatlaborant in het vaatlaboratorium van een ziekenhuis. De huisarts zal in beide gevallen de resultaten ontvangen en aan de hand hiervan de vervolgstappen bespreken met de patiënt. De enkel-arm index wordt bepaald door de bloeddruk in de armen en enkels te meten, tijdens rust en (afhankelijk van de situatie) ook na inspanning op een loopband. Voor het bepalen van de bloeddruk worden manchetten om de armen en enkels geplaatst, die worden opgepompt. De huisarts of vaatlaborant luistert met behulp van geluidsgolven naar de bloeddoorstroming. Vervolgens lopen de manchetten langzaam leeg en wordt de bloeddruk gemeten. De verhouding tussen de bloeddruk in de armen en enkels (de enkel-arm index) wordt aan de hand van deze meting bepaald, waardoor de definitieve diagnose kan worden vastgesteld.